Ergens tussen de vijf en tien procent van de omzet. Dat is het soort cijfer dat in de bouw al jaren rondgaat als het over faalkosten gaat, en het wordt zo vaak herhaald dat bijna niemand meer vraagt wie het gemeten heeft.
Dat is jammer, want het antwoord is ongemakkelijk. Er is geen recente, onafhankelijke meting van faalkosten in de Nederlandse bouw. Wat er wel is, zijn schattingen van bouwbedrijven over zichzelf, uit een enquête van zeven jaar geleden. Dat is iets anders dan een meting, en het verschil is groter dan het lijkt.
Dat betekent niet dat faalkosten een luchtkasteel zijn. Het betekent dat de vraag beter anders gesteld kan worden: niet hoe hoog faalkosten in de sector zijn, maar hoe hoog ze bij jou zijn. Dat tweede is namelijk wel te meten, en de gegevens ervoor liggen waarschijnlijk al in je opleverdossiers.
- Er bestaat geen betrouwbaar landelijk faalkostencijfer. De bekende percentages zijn zelfrapportages, geen metingen.
- ABN AMRO schreef in 2019 dat de faalkosten "waarschijnlijk" oplopen tot miljarden. Dat woord waarschijnlijk verdween bij het doorciteren.
- Faalkosten worden zelden als faalkosten geboekt: herstel verdwijnt in reguliere uren, wachttijd wordt niet geregistreerd.
- De oplevering is niet waar faalkosten ontstaan, wel waar ze voor het eerst geteld worden.
- Vijf getallen uit je eigen opleverdata zeggen meer dan elk sectorpercentage. Scroll naar de laatste sectie als je alleen die wilt.
Faalkosten zijn de kosten van werk dat opnieuw of alsnog gedaan moet worden omdat het de eerste keer niet goed ging: herstel, wachttijd, extra transport, extra materiaal en de administratie eromheen.
De grens is minder scherp dan die definitie suggereert. Meerwerk op verzoek van de klant is geen faalkost, ook al kost het extra. Herstel van een fout is dat wel, ook als de klant er uiteindelijk voor betaalt. Daartussenin zit een grijze zone waar iedereen zijn eigen keuze maakt:
Die afbakening lijkt een woordenkwestie, maar het is de reden dat twee faalkostenpercentages zelden vergelijkbaar zijn. Een bedrijf dat garantieherstel meerekent, komt hoger uit dan een bedrijf dat dat niet doet, zonder dat het slechter presteert. Onthoud dat, want het verklaart het grootste deel van de volgende sectie.
Nog een onderscheid dat helpt: faalkosten en verspilling zijn niet hetzelfde. Verspilling is elke handeling die geen waarde toevoegt, ook als er niets fout is gegaan. Materiaal dat drie keer over de bouwplaats wordt versleept is verspilling zonder dat iemand een fout maakte. Faalkosten zijn de deelverzameling waar wel iets misging en waar herstel voor nodig is. In onze serie over de acht categorieën verspillingen in de bouwsector valt dat onder defecten. Het verschil doet ertoe zodra je gaat tellen: wie alle verspilling meerekent, komt op percentages waar hij later niets mee kan.
Het eerlijke antwoord is dat niemand het weet. Er is geen recente onafhankelijke meting, en de cijfers die circuleren zijn schattingen van bedrijven over hun eigen werk.
Dit is wat er daadwerkelijk gepubliceerd is, met de herkomst erbij:
| Cijfer | Van wie | Jaar | Hoe vastgesteld |
|---|---|---|---|
| "waarschijnlijk oplopend tot miljarden euro's per jaar" | ABN AMRO Sector Research | 2019 | conclusie op basis van een enquête |
| 57% schat de eigen faalkosten op minder dan 5% van de kosten | ABN AMRO, enquête onder 151 deelnemers uit bouw en vastgoed | 2019 | zelfrapportage |
| 39% schat 5% of meer, 9% schat 8% of meer | idem | 2019 | zelfrapportage |
| "ongeveer 10% van de omzet" | breed geciteerd in de sector | herkomst onduidelijk | doorgegeven, niet hermeten |
ABN AMRO schreef letterlijk dat de faalkosten jaarlijks waarschijnlijk oplopen tot miljarden euro's. Dat woord waarschijnlijk staat er niet voor niets. Het is de eerlijke slag om de arm bij een conclusie die op schattingen rust. In vrijwel elke doorverwijzing sindsdien is het weggevallen.
En dan het punt dat het meeste uitmaakt: een enquête waarin bedrijven hun eigen faalkosten schatten, meet niet de faalkosten. Het meet wat bedrijven denken dat hun faalkosten zijn. Dat onderscheid is niet academisch, want het vertekent één kant op. Een bedrijf dat faalkosten niet registreert, heeft geen basis voor zijn schatting en gokt naar beneden. Precies de bedrijven met de hoogste faalkosten zijn dus het minst goed in staat om ze te noemen.
Blijft over: dat veelgenoemde percentage van rond de tien procent van de omzet. Zoek je de bron daarvan, dan kom je terecht bij pagina's die naar elkaar verwijzen, of bij niets. Het duikt op in adviesblogs, in leveranciersteksten en in presentaties, meestal zonder jaartal en zonder vermelding van wie het heeft gemeten. Dat maakt het niet automatisch onjuist. Het maakt het onbruikbaar als maatstaf, want je weet niet welke kosten erin zitten, uit welk jaar het komt en of het over woningbouw of over de hele sector gaat.
Wat blijft er over? Een bandbreedte met een waarschuwingslabel. Ergens tussen een paar procent en tien procent van de kosten, zelf ingeschat, zeven jaar geleden. Bruikbaar om te weten dat het om serieus geld gaat. Onbruikbaar om je eigen prestatie aan af te meten.
Faalkosten worden zelden geboekt als faalkosten. Ze bestaan wel, maar ze staan nergens onder die naam in een administratie.
Vier plekken waar ze verdwijnen:
Optel je die vier, dan zie je waarom zelfrapportage zo laag uitvalt. De meeste faalkosten zijn niet verborgen omdat iemand ze verbergt, maar omdat de administratie er geen plek voor heeft.
De oplevering is niet waar faalkosten ontstaan. Het is wel waar ze voor het eerst geteld worden, en voor de meeste bouwbedrijven is het het enige moment waarop ze überhaupt in beeld komen.
Hoeveel het er dan zijn, is een van de weinige dingen waar wel een concreet getal voor bestaat. De bouwkundigen van Vereniging Eigen Huis noteerden gemiddeld 20 gebreken per opgeleverde nieuwbouwwoning in 2019, en 21 het jaar daarvoor, uit ruim 14.000 opleveringskeuringen. Nieuwere landelijke gemiddelden zijn sindsdien niet gepubliceerd.
Waar die punten vandaan komen, is in de praktijk vrij consistent:
Wie die punten pas bij de vooroplevering tegenkomt, betaalt ze twee keer: een keer in het herstel en een keer in het vertrouwen van de koper. Hoe het opleverproces zelf in elkaar zit, en waarom de interne oplevering daarin de beslissende fase is, staat in Digitaal opleveren in de bouw.
Je hebt geen sectorpercentage nodig om te sturen. Je hebt je eigen nulmeting nodig, en die zit al in je opleverdata.
Vijf getallen die je uit je eigen opleveringen kunt halen, in volgorde van hoe snel ze iets opleveren:
Eén randvoorwaarde, en die is hard: dit werkt alleen als je registreert met vaste omschrijvingen. Vrije tekst telt niet op. "Kras kozijn", "beschadiging kozijn" en "kozijn beschadigd" zijn voor een analyse drie verschillende dingen, en dan komt er uit elke telling iets anders. We schreven eerder waarom algemene opnamepuntomschrijvingen niet bijdragen aan het optimaliseren van bouwprocessen.
Begin klein. Neem het eerstvolgende project, spreek af welke omschrijvingen je gebruikt en tel na afloop de punten per woning en de tien meest voorkomende gebreken. Dat is één project werk en het levert meteen een getal op dat van jou is. Na drie of vier projecten heb je een reeks, en pas dan wordt zichtbaar of een uitschieter aan het project lag of aan het proces. Wachten tot alles goed is ingericht voordat je begint met tellen, is de meest voorkomende manier om nooit te beginnen.
In de module Opleveren en inspecties worden punten vastgelegd met omschrijvingen uit een bibliotheek, gekoppeld aan de bouwtekening en aan een verantwoordelijke. De Live Management View zet die registraties vervolgens naast elkaar over projecten heen, zodat de vijf getallen hierboven af te lezen zijn in plaats van uit te rekenen. Dat is het verschil tussen kwaliteitsregistratie als verplichting en als stuurinformatie.
Er is geen recente onafhankelijke meting. Het meest geciteerde onderzoek is een enquête van ABN AMRO uit 2019 onder 151 deelnemers, waarin 57% de eigen faalkosten op minder dan 5% van de kosten schatte en 39% op 5% of meer. Dat zijn zelfrapportages, geen metingen, en ze zijn zeven jaar oud.
Faalkosten zijn de kosten van werk dat opnieuw of alsnog gedaan moet worden omdat het de eerste keer niet goed ging: herstel, wachttijd, extra transport, extra materiaal en de administratie daaromheen. Meerwerk op verzoek van de klant valt er niet onder, herstel van een fout wel.
ABN AMRO concludeerde in 2019 dat de faalkosten in de bouw jaarlijks waarschijnlijk oplopen tot miljarden euro's. Er staat geen bedrag en geen percentage van de sectoromzet bij. De onderliggende cijfers komen uit een enquête waarin bedrijven hun eigen faalkosten schatten.
Dat is een keuze, geen regel. Herstel onder garantie is het gevolg van iets dat eerder misging, dus inhoudelijk hoort het erbij. Veel bedrijven boeken het apart onder nazorg, waardoor het buiten het projectresultaat valt. Kies één afbakening en houd die vast, anders zijn je eigen cijfers van jaar tot jaar niet vergelijkbaar.
Begin niet met een percentage van de omzet, maar met aantallen: opnamepunten per woning, de tien meest terugkerende gebreken en de doorlooptijd tot gereedmelding. Een percentage krijgt pas betekenis als je twee jaar achter elkaar hetzelfde meet met dezelfde afbakening.
Het bekende faalkostenpercentage is een schatting die is blijven hangen, doorgegeven tot het op een feit ging lijken. Wie erop stuurt, stuurt op andermans gok uit 2019.
De bruikbare vraag is een andere. Niet hoe hoog faalkosten in de bouw zijn, maar hoeveel punten jouw opleveringen opleveren, welke tien daarvan steeds terugkomen en waar ze ontstaan. Dat is meetbaar vanaf de volgende oplevering, en anders dan het sectorcijfer gaat het over werk waar je zelf iets aan kunt veranderen.
Benieuwd hoe die vijf getallen er voor jouw projecten uitzien? Vraag een gratis presentatie op locatie aan of bekijk de module Opleveren en inspecties.